Kinderen van de straat

Overal ter wereld kun je ze vinden: dakloze kinderen die letterlijk op de stoep slapen. Kleine zwervers, diefjes, bedelaars, lijmsnuivers. Hoe ziet hun leven eruit en waarom wonen ze op straat? Corien van Zweden en Martijn van de Griendt raakten in gesprek met de straatkinderen van Douala, Kameroen. Een reportage.

‘Het is veel te gevaarlijk. Dat moeten jullie niet doen.’
‘Jullie gaan daar toch niet rondlopen? Blijf liever in de auto zitten met alle portieren op slot.’
Het is onze tweede dag in Douala, Kameroen. Er is afgesproken dat we vanavond als het donker is de straat op gaan. We gaan reportages maken over het leven van de straatkinderen in deze West-Afrikaanse miljoenenstad. We praten met ze op straat en luisteren naar hun verhalen. We bezoeken de sloppenwijken waar ze vandaan komen, de markt waar ze als sjouwers een centje proberen bij te verdienen en de tehuizen waar ze met steun van het Nederlandse Kinderstem/Cordaid worden opgevangen.
Om het verhaal compleet te maken willen we ook zien hoe straatkinderen de nacht doorbrengen. Wat betekent het om letterlijk op de stoep te moeten slapen? Kruipen ze bij elkaar of is het ieder voor zich? Gedragen ze zich bang, schichtig, agressief?
Dat willen we zien, en het liefst ook fotograferen.

Schaars verlicht

Blijkbaar zijn er ernstige twijfels gerezen over de haalbaarheid van ons avondlijke plan. Ik vang flarden van gesprekken op. Onze begeleiders zijn het er niet over eens of het veilig is om in het donker met een groepje witte bezoekers over straat te gaan. De een zegt dat het best kan, de ander verklaart ons voor gek.
Uiteindelijk wordt besloten om toch te gaan, vroeg in de avond en met een flinke club begeleiders. Er wordt ons dringend aangeraden om zo min mogelijk mee te nemen: geen geld, geen sieraden, geen andere kostbaarheden. Het risico van beroving is groot.
Voor mij is het niet zo ingewikkeld: wie zou er een bloknootje en een pen willen stelen? Maar voor onze fotografen ligt het anders. Fotojournalist Martijn van de Griendt besluit om deze keer slechts één camera mee te nemen. Onze andere fotograaf, de 12-jarige Myrte van der Heijden, is enthousiast en onbevangen. Als ambassadeur jeugdsparen van de ASN Bank is ze uitgekozen om deze reis te maken. Ze heeft de opdracht om een eigen fotoreportage van straatkinderen te maken. Myrte draagt haar digitale camera gewoon over haar schouder, maar de glinsterende oorbellen laat ze vanavond toch maar thuis.
Het is een klamme, warme avond. De straten van Douala zijn schaars verlicht en we moeten goed kijken waar we onze voeten neerzetten. De stoep zit vol kuilen en diepe gaten. Magere katten schieten weg in het halfduister. Eerst lopen we door een wijkje van houten, gammele huizen met golfplaten daken. Het open riool stinkt. Bij de meeste huizen is het donker en stil, maar hier en daar zitten mensen op houten krukjes voor hun huizen. De sfeer is gemoedelijk en er wordt vriendelijk gegroet.

Spiedend

Dat verandert als we op een bredere straat uitkomen. Het is hier drukker. Brommers schieten voorbij en een enkele aftandse taxi. De houten optrekjes hebben plaats gemaakt voor betonnen gebouwen van twee of drie verdiepingen, flatblokken in aanbouw, winkelpandjes met rolluiken.
Onze begeleiders – zeven of acht jongens uit de opvanghuizen, die zelf jarenlang als straatkind hebben geleefd – gedragen zich zenuwachtig. Ze kijken spiedend om zich heen. We moeten tussen hen in blijven lopen. Een van de jongens wijst. Daar in het portiek ligt een straatkind te slapen en aan de overkant in de schaduw van de pui liggen twee jochies. Onze ogen moeten wennen aan het donker. Dan onderscheiden we de kleine liggende gestaltes. Opgetrokken knieën, armen om het lichaam geslagen, hoofd gewoon op de straattegels.
We weten sinds jaar en dag dat miljoenen kinderen in verre steden altijd op de stoep slapen. Dat is niets nieuws. We zijn wel erger gewend: beelden van rampen, oorlogen, hongersnoden en vluchtelingenkampen komen dagelijks onze huiskamers binnen.
Maar dit is anders. Ik sta op de stoep in Douala en zie hoe Martijn en Myrte zich met hun camera’s in de aanslag over een slapend kind buigen. Ik denk aan een stapelbed in Amsterdam, waarin mijn dochters slapen. Wie zich over een slapend kind heen buigt, doet dat om het onder te stoppen, een lok haar uit het gezicht te strijken, een nachtzoen te geven. Niet om een foto te maken.
Het jongetje op de stoep slaapt rustig door terwijl de camera’s flitsen. De fotografen aarzelen. Dan lopen ze om het jongetje heen, kiezen een andere hoek, drukken nog eens af, en nog eens. Het kind verschuift een arm, zucht diep en slaapt verder zonder op of om te kijken.

Bedelen en stelen

We verblijven slechts vier dagen in Douala, maar het lijkt alsof we hier al weken zijn. De gastorganisatie Chaîne des Foyers St. Nicodème wil ons alles laten zien. Het is een lokale rooms-katholieke organisatie die zich helemaal richt op de hulpverlening aan straatkinderen.  Niemand weet precies hoeveel straatkinderen er leven in Kameroen, maar hulporganisaties gaan ervan uit dat het in Douala alleen al om een harde kern van zo’n 4000 dakloze kinderen gaat, die geen familie hebben om op terug te vallen.
Onze begeleiders vertellen dat de meeste straatkinderen van jongs af aan gewend zijn aan armoede, geweld, seksueel misbruik en drugs. Sommigen zwerven alleen rond, maar vaak leven ze in kleine groepen of gangs. Ze houden zich in leven door te bedelen en te stelen of verhuren zich voor kleine klusjes als auto’s wassen of het sjouwen van vrachten.
We gaan op bezoek in de verschillende opvanghuizen voor straatkinderen die Chaîne des Foyers verspreid over Douala heeft opgezet. De kinderen kunnen er voor een beperkte periode verblijven: ze krijgen te eten, hebben een bed om in te slapen en ze moeten naar school. Het is de bedoeling dat ze na verloop van tijd weer teruggaan naar hun families of  – als dat onmogelijk is – een vak leren zodat ze op eigen benen kunnen staan.

Autowrak

Vanmiddag rijden we over onverharde, modderige straten naar de arme buitenwijk Brazzaville. Het opvanghuis ligt verstopt achter een hoge muur. Hier wonen ongeveer 25 straatjongens voor wie terugkeer naar hun familie erg lastig is. Op de kale binnenplaats worden we in een oogwenk omringd door jongens: er zijn grote lange slungels bij in vale shirts, een paar kleintjes met brutale ogen en een bangerik die voor de gein naar voren wordt geduwd. De jongens maken grappen, lachen, stompen en duwen elkaar.
Tussen de jongenslijven valt één meisje meteen op. Ze is klein van stuk en draagt een Afrikaanse jurk met een bijpassende hoofddoek. Over de hoofden heen zoekt ze mijn blik. Dit meisje weet precies wat ze wil. Ze laat me het opvanghuis zien: een huiskamer met een kapot bankstel en een oude televisie, overbevolkte slaapzalen met stapelbedden van drie verdiepingen. Een zwartgeblakerd keukenhok waar op open vuur gekookt wordt.
Het meisje heeft mijn hand gepakt en voert me naar het achterplaatsje. Het stinkt er. Drie ratten vluchten weg. We moeten gaan zitten op een laag houten bankje en dan vertelt ze haar verhaal.
Christelle is 14 jaar en heeft ruim vier jaar op straat geleefd. ‘Mijn vader heb ik nooit gekend, hij is dood. Ik woonde met mijn moeder in het huis van mijn oom. Hij hield niet van me. Hij mishandelde en misbruikte me. Toen ik tien jaar was ben ik weggelopen. Ik sliep op de stoep of in een autowrak. Gelukkig vond ik een vriendin die ook in haar eentje rondzwierf. Op straat was het leven stukken beter dan in het huis van mijn oom. Niemand sloeg me.’
Sinds een aantal maanden woont Christelle hier. Wat moet een meisje met zo’n geschiedenis in een huis vol opgeschoten jongens? ‘Er is geen andere plek voor mij. In het meisjeshuis is alleen dagopvang. Daar heb ik niets aan. Ik slaap in een klein kamertje dat op slot kan. Meestal laten de jongens me wel met rust. En anders ben ik goed in vechten.’

Opnieuw beginnen

Aan het eind van de middag verzorgen de jongens van het opvanghuis een circusvoorstelling. Er wordt ons uitgelegd dat alle straatkinderen in de huizen van Chaîne des Foyers circuslessen kunnen volgen. Het is goed voor hun zelfvertrouwen en ze hebben plezier, zeggen de begeleiders. De kinderen krijgen les in acrobatiek, jongleren, balanceren en dans. ‘Jongleren is een spiegel van het leven zelf,’ vertelt de jongen die de circuslessen geeft. ‘Je gooit de ballen in de lucht en als er eentje valt moet je hem zo snel mogelijk oprapen. Dat moeten onze kinderen leren: als het mis gaat, moet je het niet opgeven, maar je bal oprapen en opnieuw beginnen.’
Een trom roffelt. De artiesten komen dansend op. Geen glimmende pakjes, schmink of glitters, maar gewoon in sportbroek en uitgelubberd shirt. Toch ziet het er prachtig uit. Op het steeds snellere ritme van de trommelaar wordt er fanatiek gejongleerd, acrobatiek gedaan en op eenwielers gebalanceerd. Hoepels draaien, kegels vliegen door de lucht.
De 12-jarige Myrte maakt de ene foto na de andere. Ze neemt haar foto-opdracht heel serieus. Fotograaf Martijn geeft haar aanwijzingen en Myrte rent enthousiast om de artiesten heen om alles vast te leggen. Ze zit zelf op acrobatiek en is onder de indruk van de kunsten van de jongens. ‘Ze kunnen het echt supergoed,’ zegt ze. Als de jongens doorkrijgen dat Myrte verstand heeft van acrobatiek, mag ze meedoen. Voor deze ene keer geeft ze haar camera uit handen. En even later staat een smal wit meisje op de schouders van twee straatjongens te balanceren.

Denk aan mij

Opeens zijn de vier dagen om. Op de valreep – we hebben nog een paar uur voor het vliegtuig vertrekt – gaan fotograaf Martijn en ik nog één keer terug naar het opvanghuis in de buitenwijk waar Christelle woont. Ze komt meteen op ons afrennen. ‘Kom!’ Ze voert me mee de smalle gang door naar de achterplaats. We gaan op ‘ons’ bankje zitten.
Het is laat in de middag en een paar stralen zonlicht vallen schuin op de stenen muur. Ik heb mijn aantekenboek al opengeslagen –  ik wilde immers nog wat extra feiten voor mijn reportage verzamelen. Maar opeens weet ik het niet meer. Het overkomt me nooit, maar nu weet ik geen enkele vraag meer te stellen.
Ik kwam hier als journalist en heb het trieste verhaal van een 14-jarg meisje opgetekend. De woorden uit het eerste gesprek met Christelle klinken nog in me na: ‘Een ding weet ik heel zeker: ik wil later geen man en ook geen kinderen. Dat nooit. Ik heb geen vertrouwen. In niemand, alleen in mezelf.’
Nu zitten we op een bankje naar elkaar te lachen. Ik zou nog een heleboel vragen kunnen stellen, over de jaren in het huis van haar oom, over het weglopen, over de avonturen die ze op straat heeft beleefd. Maar ik doe het niet.
Het maakt Christelle niet uit. ‘Je bent mijn vriendin,’ zegt ze en leunt met een gelukzalige glimlach tegen me aan. Praten is voor haar helemaal niet nodig. Ze geniet van dit kwartier en houdt me helemaal alleen voor zichzelf. De jongens die nieuwsgierig om ons heen dralen, stuurt ze weg. Niemand mag zich hiermee bemoeien.

Als ik thuis in Amsterdam mijn e-mail check, is er een berichtje van Christelle Biyo uit Kameroen. Hoe heeft ze dat voor elkaar gekregen? Ze zei dat ze niet kon schrijven en alleen een klein beetje kon lezen.
Er staat: ecrimoiaussipenseamoijepenseatoi. Het duurt even voor ik het ontcijferd heb: ‘Schrijf mij ook. Denk aan mij, ik denk aan jou.’ Ik schrijf meteen terug, maar antwoord komt er niet meer.

In: esta, 3-16 december 2007