Shay Cullen blijft woedend om misbruik

Hij loopt rond in korte broek en op sandalen, zijn mobiele telefoon rinkelt voortdurend. Kinderen hangen aan zijn arm. De Ierse priester Shay Cullen woont en werkt al bijna 40 jaar op de Filippijnen. Vanwege zijn strijd tegen seksueel misbruik van minderjarigen werd hij  twee keer genomineerd voor de Nobelprijs voor de Vrede. Waarom de missie? ‘Ik wilde iets spannend doen in mijn leven, iets wat er toe doet.’

‘Ik werd op straat in Olongapo aangesproken door een man met een jong meisje aan de hand. Ze had een smal gezichtje, haar in een paardenstaart, een dun hemdje. Ze leek niet ouder dan twaalf of dertien. De man vroeg of ik het meisje wilde meenemen. “Wat bedoelt u?” vroeg ik. “Moet ik haar mee uit nemen naar de speeltuin of zo? Of is het de bedoeling dat ik eten voor haar koop? Ze ziet er bepaald hongerig uit.” Ik begreep er niets van. Pas later drong de waarheid tot me door.’ De Ierse priester Shay Cullen (1943) was zo groen als gras toen hij in 1969 vlak na zijn priesterwijding naar de Filippijnen werd gestuurd. Het duurde een tijd voordat hij begreep dat er sprake was van kinderprostitutie in de stad waar hij als missionaris geacht werd te gaan werken. Jonge meisjes werden overal op straat aangeboden aan potentiële klanten.
Cullen was tamelijk onvoorbereid op de Filippijnen terechtgekomen. ‘Ik had geen idee. Er hing een lijstje op het prikbord in de hal van het Ierse seminarie waar ik gestudeerd had. Bij mijn naam stond “Filippijnen.” Ik heb een atlas gepakt om te kijken waar het lag.’ Hij werd naar Olongapo City gestuurd op 139 kilometer van de hoofdstad Manilla. De stad aan de Zuid-Chinese zee werd destijds gedomineerd door een grote Amerikaanse marinebasis. In de hoogtijdagen deden maandelijks meer dan 90 Amerikaanse marineschepen Olongapo aan. Duizenden Amerikaanse mariniers zwermden uit over de straten van de stad op zoek naar gezelligheid en vertier. Kroegen, nachtclubs en bordelen deden goede zaken. Hoewel seks met minderjarigen verboden is op de Filippijnen, bloeide de kinderprostitutie. Shay Cullen: ‘Hoe jonger, hoe beter. Meisjes van dertien, veertien jaar waren favoriet bij de mariniers. Achttien jaar vonden ze eigenlijk al te oud.’

Lekker goedkoop

Shay Cullen herinnert zich nog goed hoe geschokt hij was. ‘Ik realiseerde me: wat hier voor mijn ogen gebeurt, is afgrijselijk. Als priester van de Sint Joseph parochie hoorde ik tijdens de biecht de verhalen van de meisjes. De gevolgen van de seksindustrie waren vernietigend voor hele gezinnen. Ik werd steeds bozer.’ Die woede is er in de loop van bijna 40 jaar niet minder op geworden. Nog altijd kan Shay Cullen zich mateloos opwinden over seksueel misbruik van minderjarigen. Sinds de marinebasis in Olongapo in 1992 werd gesloten, heeft de kern van de bedrijvigheid zich verplaatst. Cullen: ‘Tegenwoordig is de rosse buurt van Angeles City favoriet. Dat ligt dichter bij Manilla dan Olongapo. Buitenlandse toeristen kunnen speciale seksreisjes boeken. Er zijn daar veel jonge meisjes en het is er lekker goedkoop. Nog steeds spelen minderjarigen een rol, maar het gebeurt meer in het verborgene dan vroeger.’
Vader Shay zoals hij in Olongapo bekend staat, heeft zijn leven gewijd aan de minderjarige slachtoffers van de seksindustrie. Hij richtte de organisatie PREDA op en opende een opvanghuis voor misbruikte meisjes. In het grote huis met uitzicht op zee zijn ook slachtoffers van incest welkom en er is een aparte afdeling voor straatjongens die uit de gevangenis zijn gered. Cullen die in zijn werk onder meer gesteund wordt door de Nederlandse organisatie Kinderstem/Cordaid, heeft een speciale therapie ontwikkeld voor de getraumatiseerde kinderen. Hij baseert zich op het beroemde boek The primal Scream (1970) van de Amerikaanse therapeut Arthur Janov. Vanwaar die keuze? Cullen: ‘Ik kwam dat boek tegen en het sprak me aan. We zijn gewend om mensen te troosten met de woorden “Huil maar niet.” Maar waarom eigenlijk? Waarom zou je niet huilen en schreeuwen als je zoveel pijn hebt?’

Bevrijdend

Gehuild en geschreeuwd wordt er veelvuldig tijdens de sessies primal therapy in het opvanghuis van Cullen. Er is een speciale therapiekamer voor ingericht in een inpandige schaars verlichte ruimte. De vloer en een deel van de muren zijn bekleed met groene plastic matrassen, het plafond met eierdozen. De geluiden klinken gedempt en droog. Er zijn dagelijkse sessies in groepjes van zes of zeven meisjes. Er wordt gehuild, gegild, gebruld en in matrassen gestompt. Een therapeut gaat rond, aait troostend, slaat een arm om een schouder. Weinig woorden. Cullen: ‘Het helpt. Het is bevrijdend voor die kinderen dat ze hun pijn kunnen uiten. Seksueel misbruik roept grote angst en woede op, maar die kan op dat moment niet geuit worden. Tijdens de primal therapy wordt die woede opgeroepen. Het is een pijnlijk proces, maar daarna is er de opluchting.’
Naast de zorg voor ‘zijn’ kinderen is Shay Cullen actief op het juridische vlak. Al jaren voert hij een verwoede en niet aflatende strijd om de seksclubeigenaren, de sekstoeristen en de incestplegers berecht te krijgen. Zijn werkkamer puilt uit van de dossiers. Zijn werk brengt hem voortdurend in conflict met bazen van de seksindustrie en met corrupte ambtenaren die goed verdienen aan de seksbusiness. Cullen: ‘Ik krijg herhaaldelijk doodsbedreigingen. Er staat een prijs van 30.000 pesos (€ 400) op mijn hoofd. Ach, ja, voor Jezus werden ook maar twaalf zilverlingen geboden.’ Hij lacht. Het lijkt hem nauwelijks te deren. Priester Shay Cullen is gewend om te vechten. ‘Ik heb altijd een rebels karakter gehad,’ zegt hij. ‘Op school vroeger in Ierland werd ik enorm geslagen, maar dat maakte me alleen maar opstandiger. Ik kan niet tegen onrecht. Of ik mijn inspiratie voor dit werk uit de bijbel haal? Welnee. Kinderprostitutie is zo afgrijselijk, zo slecht, zo pervers. Je hebt echt de bijbel niet nodig om je te realiseren hoe fout dit is. Ook zonder de bijbel zou ik doen wat ik doe.’

Mary-Anne Salo woont al vier jaar in het opvanghuis van Shay Cullen in Olongapo. Ze was dertien toen ze door hem gered werd uit een van de nachtclubs in Angeles City.

‘Ik ben de dochter van een Australische vader en een Filippijnse moeder. Mijn vader heeft zichzelf verhangen toen ik tien was. Hij was depressief omdat mijn moeder hem had verlaten voor een andere man. Mijn moeder was helemaal in de ban van die andere vent. Hij was verslaafd aan drugs en zat in de gevangenis in Manilla. Mijn moeder was zo verliefd op hem, dat ze zich vrijwillig in de gevangenis liet opsluiten om bij hem te zijn. Ze keek nauwelijks meer om naar mijn twee jongere broertjes en mij.
Na de dood van mijn vader is alles fout gegaan in ons gezin. Mijn moeder bleef aan die drugsverslaafde man hangen. Toen hij vrij kwam, ging hij bij ons wonen. Hij sloeg ons en hij sloeg mijn moeder. Ik hoorde hun gevechten in de slaapkamer. Ik probeerde gewoon verder te gaan met school, maar het lukte niet. Er was nooit geld, er waren altijd problemen. Ik was doodsbang voor mijn stiefvader.
Ik wilde weg, maar ik wist niet waarheen. Op een dag ontmoette ik een oom, die in Angeles City woonde. Ik smeekte hem of ik bij hem mocht wonen. Eigenlijk kon het niet, zei hij. Hij was niet rijk en ze hadden zelf ook kinderen. Maar ik smeekte en huilde en toen vond hij het goed. Ik was dolblij dat ik uit Manilla weg kon. De eerste tijd ging het goed, maar ik voelde me ook erg opgelaten. Ik wist dat mijn oom en tante weinig geld hadden en nu moesten ze ook eten voor mij betalen. Ik wilde ze helpen. “Wil je dat echt?” vroeg mijn tante. “Dan weet ik misschien wel een baantje voor je.”
Ik moest met mijn tante mee. We liepen over Fields Avenue. Dat is een drukke straat met veel bars en cafés. Er kwam een vrouw naar ons toe. Later ontdekte ik dat zij de hoerenmadam was. Ze vroeg aan mijn tante: “Is ze pas dertien?” Ze bekeek me van top tot teen en zei toen: “Het is goed. Je kunt vanavond beginnen.”
Die avond kreeg ik een piepkleine bikini en schoentjes met heel hoge hakken. Ik begreep er niets van. Ze hadden gezegd dat ik als serveerster zou gaan werken. Nu bleek dat ik in bikini moest dansen. Het was warm in de bar en er brandden gekleurde lampjes. Er waren veel buitenlandse klanten, Japanners, Duitsers, Amerikanen, Nederlanders. Ze keken naar mij. Ik was de jongste van allemaal.
Ik durfde niet. De eigenaar van de bar was een Amerikaan. Hij was boos en zei: “Jij moet dansen en niet zeuren.” De andere meisjes waren wel aardig, maar ze konden me niet helpen. Als een klant je aan wilde raken, mocht je niet tegenstribbelen. Dan werd de klant woedend. Ik vond het heel erg, maar ik verdiende veel geld. Dat gaf ik aan mijn tante.
Op een nacht kwam Vader Shay. Hij deed alsof hij een klant was en zei dat hij graag een lekker jong meisje wilde. De andere meisjes wezen naar mij: “Zij is de jongste.” Ik was doodsbang, want ik wist natuurlijk niet dat het Vader Shay was. Ik dacht dat ik met een klant mee moest. Opeens was er ook politie en de eigenaar van de bar werd gepakt. Toen was ik gered.’


zie ook: www.cordaid.nl en www.preda.org

In: Trouw 24 april 2007