Hun grootmoeders, moeders en oudere zussen leiden nog een traditioneel Maasai bestaan in een lemen hut ver van de bewoonde wereld. Zelf kregen ze de kans om naar school te gaan en kozen ze voor een leven in de stad. Portret van twee Maasai vrouwen tussen traditie en moderniteit. ‘Ik leef een modern leven, maar ik mis veel. Ik leef buiten mijn gemeenschap.’


‘Ik leef een modern leven. Ik heb mijn haar laten groeien, ik draag geen traditionele kleding meer en ik heb een baan in het onderwijs. Sinds een jaar of zeven woon ik in Arusha, een halve dag reizen van mijn dorp vandaan. Toch beschouw ik de boma als mijn thuis. Ik ben Maasai en daar hoor ik.’ De Tanzaniaanse Maria Kaheta (1962) is er stellig over: hoewel ze op alle mogelijke manieren heeft gebroken met het traditionele Maasai leven, voelt ze zich geen stadse vrouw. Haar wortels liggen in de boma, de traditionele Maasai gemeenschap waarin ze opgroeide. ‘Wij zijn de eerste generatie die in de stad woont. Toch blijven we Maasai.’

Het volk van de Maasai in Kenia en Tanzania leidt van oudsher een nomadisch bestaan. Ze trekken rond met hun kuddes en wonen in semi-permanente dorpen van lemen hutten, de zogeheten boma’s. De hutten zijn in een kring gebouwd met een haag van scherpe acaciatakken eromheen die mens en dier moeten beschermen tegen de aanvallen van wilde dieren, zoals leeuwen, hyena’s en tijgers. De inwoners van een boma zijn over het algemeen familie van elkaar: een man verzamelt als baas van de boma al zijn echtgenoten en kinderen om zich heen. Hoe rijker de man, hoe meer vrouwen hij zich kan permitteren. ‘Wie 500 koeien heeft kan vier of vijf vrouwen onderhouden, maar een rijke man met meer dan 1000 koeien kan wel tien of elf vrouwen hebben. Zo iemand heeft een veel grotere boma,’ legt Maria uit. 

Koeien verkopen

De boma waar Maria Kaheta in opgroeide, ligt relatief dichtbij de stad Arusha. ‘Dat was mijn geluk,’ zegt Maria. ‘Daardoor kreeg ik de kans om een school te bezoeken. Mijn vader had het nomadische leven de rug toegekeerd. Hij bezat nog wel koeien, maar we trokken niet meer met de kuddes rond. Hij is een modern denkend man en hij stond erop dat zijn kinderen een opleiding kregen. Om het schoolgeld voor ons te kunnen betalen, verkocht hij de ene koe na de andere. Mijn moeder had er moeite mee. Ze vroeg zich af waar een opleiding goed voor was, zeker voor meisjes. Zelf heeft ze nooit leren lezen of schrijven. Dat kun je aan haar merken. Ze heeft er geen idee van dat er buiten de Maasai gemeenschap nog een hele wereld bestaat. Wie nooit op school heeft gezeten, leert niet kritisch te zijn. Emancipatie begint met een opleiding.’

Verpleegkundige Grace Mtataiko (1965) denkt er net zo over. Ze is evenals Maria in een Maasai gemeenschap geboren en woont sinds een jaar of vier in Arusha. Ze heeft op school gezeten en is daarna op de traditionele manier getrouwd met een Maasai man die haar vader voor haar had uitgezocht. Ze vertelt: ‘Mijn man en ik staan nog met een been in de Maasai cultuur, maar ik besef dat wij de laatste generatie zijn. Ik zie dat onze kinderen de tradities verliezen. Ze groeien op in de stad en vinden het maar niks als we hen in de schoolvakanties meenemen naar de boma. Ze vinden het er vies. Er is geen elektriciteit en geen water. Ze missen de douche, ze missen hun vriendjes. En het eten vinden ze verschrikkelijk. In de boma is weinig anders dan vlees en melk. Maasai drinken hun melk vermengd met het bloed van de koeien. Mijn kinderen verafschuwen dat. Mijn man en ik genieten, voor ons is de boma ons thuis.’

Enorm getwijfeld

Anders dan Grace Mtataiko heeft Maria Kaheta gebroken met de traditie van het gearrangeerde huwelijk. Ze vertelt: ‘Toen ik 18 was ben ik verliefd geworden op een man van een andere stam. Dat is heel heftig voor een Maasai meisje, want in onze cultuur ligt al van jongs af aan vast met wie je zult trouwen. Ik heb enorm getwijfeld wat ik moest doen, maar ik heb tenslotte gekozen voor de man van wie ik hield. Dat vonden ze in mijn boma verschrikkelijk. De man aan wie ik beloofd was, is razend geworden. Toch heb ik doorgezet.’ Grace moet lachen om het verhaal. ‘Je hebt groot gelijk,’ zegt ze. ‘Je hield van die jongen en daar gaat het om. Een huwelijk kun je arrangeren, maar de liefde laat zich niet arrangeren.’ Maria knikt. Toch heeft het ook een trieste kant, vindt ze. ‘De traditie stopt met mij. Dat is aan de ene kant pijnlijk, maar het is tegelijkertijd bevrijdend.’

Over vrouwenbesnijdenis – een andere traditie uit de Maasai cultuur – zijn Maria Kaheta en Grace Mtaitako het snel eens. Grace: ‘Ik ben ertegen. Het levert vrouwen veel pijn en ellende op. Ik ben verpleegkundige en word vaak genoeg geconfronteerd met de gevolgen van besnijdenis. Niet alleen heb je kans op ernstige bloedingen en infecties na de ingreep, maar ook later bij een zwangerschap en bevalling kun je tal van complicaties krijgen. Er gaan niet zelden vrouwen dood aan de gevolgen van een besnijdenis.’ Grace vindt het daarom prima dat besnijdenis van vrouwen in Tanzania sinds enkele jaren bij wet verboden is. ‘Helaas helpt dat tot nu toe weinig,’ zegt ze. ‘Vrouwenbesnijdenis komt nog steeds op grote schaal voor. In het geheim. Veel Maasai – ook vrouwen – vinden dat het nu eenmaal bij de traditie hoort. Dat mag zo zijn. Maar ik vind dat de voordelen absoluut niet opwegen tegen de nadelen.’

Buiten mijn cultuur

Ook Maria Kaheta is een fel tegenstandster van vrouwenbesnijdenis. Ze herinnert zich de dag nog goed dat haar moeder over besnijdenis begon. Maria was toen een jaar of zestien en dat is al laat voor een besnijdenis. Ze vertelt: ‘Meestal gebeurt het vlak voor de puberteit als je twaalf of dertien bent. Ik had eerst mijn school af mogen maken, maar nu moest het echt gebeuren, vond mijn moeder. De voorbereidingen waren al in volle gang. Ik wilde het niet. Voor mij betekent besnijdenis dat je als vrouw een stukje van jezelf verliest. Mijn moeder begreep niet wat me bezielde. Dat kan ik haar niet kwalijk nemen, want ze heeft nooit enige opleiding genoten. Gelukkig stond mijn vader aan mijn kant.’

Maria’s oudere zussen hadden het ritueel wel ondergaan, zijzelf ontkwam. Ze vertelt: ‘Ik praat daar wel over met mijn zus. Zij woont in de boma, heeft veel kinderen en leidt een heel ander leven dan ik. Ik vind het soms wel triest voor haar. Ze mist zoveel. Maar aan de andere kant: zelf mis ik ook een heleboel. Ik leef buiten mijn gemeenschap. Ik zie er anders uit, ik scheer mijn haar niet meer af zoals dat hoort in onze cultuur. Ik draag de traditionele kleding alleen nog als ik naar huis ga. Toch hou ik van die kleren en de vele sieraden van gekleurde kralen. In de boma hoor ik er niet echt meer bij. Ik spreek de taal van de Maasai nog wel, maar aan mijn accent kunnen ze horen dat ik in de stad woon. Dan ben ik wel eens jaloers op mijn zussen die rustig in de boma leven. Zij hoeven er niet over na te denken waar ze thuis horen.’

in: Volzin, maart 2005