Voor ouderen is het leven in het na-oorlogse Bosnië zwaar. Een officiële vorm van ouderenzorg bestaat niet meer, bejaardenhuizen zijn er niet. Vrijwilligers bieden met steun van het Nederlandse Vastenaktie een vorm van thuiszorg. Zondagavond zendt KRO’s Kruispunt een documentaire uit over dit werk.



Sinds de oorlog wonen ze met z’n drieën bij elkaar in het oude mijnwerkershuis buiten de Bosnische industriestad Zenica. De smalle kamer wordt gedomineerd door twee bedden en een enorm houtfornuis. In de kussens ligt de 86-jarige Mitra Hercegovac, weduwe en al tien jaar bedlegerig. Ze heeft onlangs haar zesde beroerte gehad en kan niet meer praten. Schoonzus Dobrina (88) is eveneens invalide, maar praat nog als de beste. De twee oude dames worden – zo goed en zo kwaad als het gaat – verzorgd door hun nicht van 70. Dobrina: ‘Alleen wij vrouwen zijn nog over. Mitra is al 20 jaar weduwe. Mijn man is in de oorlog overleden. Hij was oud en ziek. We konden niet veel meer voor hem doen. Er was te weinig eten. We hadden allemaal honger in die tijd.’

Met z'n drieën leven de oude dames van de pensioenen van hun overleden mannen. Er komt maandelijks 70 euro binnen, vertelt de nicht. ‘Het is niet veel, maar het gaat net.’ Zwaarder dan het geldgebrek weegt de zorg voor Mitra die bijna helemaal verlamd is. Ook het slikken gaat moeilijk. Een vrijwilligster van de thuiszorgorganisatie Ruhama zit de oude vrouw met engelengeduld te voeren. Mitra huilt en sabbelt gulzig op minuscule stukjes leverworst met room. Dobrina: ‘Zo gaat het elke dag met Mitra. Een beetje huilen, een beetje eten, een beetje lachen. Ze houdt van eten.’

Gaarkeukens

Zonder de hulp van de vrijwilligers van Ruhama zouden de drie oude dames nauwelijks kunnen overleven. Twee keer per week komt iemand van de thuiszorgorganisatie langs. Ze brengt medicijnen en luiers, helpt met wassen, eten, nagels knippen en het verzorgen van de doorligwonden. Ruhama bestaat al meer dan 10 jaar en draait helemaal op vrijwilligers – veelal jongeren – die elk een stuk of twaalf patiënten onder hun hoede hebben. Naast hun studie of een baan bezoeken de vrijwilligers trouw hun patiënten in de grauwe woonkazernes van Zenica of in de vervallen boerendorpen in de omtrek.

Voor veel patiënten – de meesten zijn ziek of gehandicapt – vormt de komst van de vrijwilligers een laatste strohalm. Op officiële hulp hoeven ze niet te rekenen, of het moeten de gemeentelijke gaarkeukens zijn waar dagelijks waterige bonensoep wordt verstrekt. Veel ouderen wonen nog op zichzelf, hoewel dat eigenlijk niet meer gaat. Lovro Jerkovic (74) bijvoorbeeld kan zich na drie hartaanvallen en een beroerte nauwelijks redden in zijn eentje. De voormalig voorman in de staalfabriek van Zenica woont in een krap flatje op de zesde verdieping. ‘Ik woonde buiten de stad, maar mijn huis is in de oorlog kapot geschoten. Nu zit ik hier. Ik kan niet goed lopen en ben al vijf maanden niet meer buiten geweest.’

Breekpunt

Jerkovic bivakkeert op de divan in de keuken. Aan de muur prijken naast elkaar het portret van Tito en een foto van zijn kleinzoon. In de aangrenzende huiskamer is het koud. Op de bank liggen pakjes boter en in de leunstoel staat een kratje met groente. ‘Ik gebruik die kamer als koelkast. Dat is lekker voordelig en zelf heb ik de ruimte toch niet nodig,’ zegt hij. Jerkovic is bijna altijd alleen en kijkt uit naar de bezoeken van de vrijwilligers van Ruhama. Ze helpen met het verbinden van zijn wonden en minstens zo belangrijk: ze nemen de tijd voor een praatje.

De vrijwilligers van Ruhama beseffen dat het sociale aspect van hun werk net zo belangrijk is als de medische zorg die ze verlenen. Veel van hun patiënten verkeren in een isolement. Sommigen zijn oorlogsvluchteling, velen hebben naaste familie verloren in de oorlog. Voor iedereen is de oorlog het breekpunt geweest. Of zoals de oude Dobrina het verwoordt: ‘De oorlog heeft alles veranderd. Ik begrijp de oorlog niet. Wij zijn orthodox, onze buren katholiek. Waarom was dat opeens belangrijk? Wat maakt het uit tot welke kerk je behoort? Ik heb meer hulp van mijn katholieke buurvrouw gehad, dan van mensen van mijn eigen geloof.’

 

in: Spits, 2-4-2004