‘De angst is niet zomaar weg. Ook na mijn ontsnapping toen ik allang veilig was, bleef ik doodsbang. Dat duurde jaren. Elke dag was ik bang, elke nacht had ik verschrikkelijke dromen.’ Dat zegt Helleni Abayo (16), die als twaalfjarige door handlangers van Joseph Kony werd ontvoerd vanuit haar dorp dichtbij de Oegandese stad Soroti. Ze werd ingelijfd bij het Verzetsleger van de Heer en trok ruim een jaar kris kras door Noord Oeganda. Na haar ontsnapping ontving Abayo hulp van de organisatie TPO (Transcultural Psychosocial Organisation), die vanuit Nederland gesteund wordt door Cordaid Memisa. Daar kreeg ze therapie en leerde om te praten over wat ze heeft meegemaakt.

Nog steeds komt de lotgenotengroep van ex-kindsoldaten wekelijks bijeen onder leiding van een therapeute. ‘Dat helpt,’ vindt Abayo.‘Stil in een hoekje blijven zitten, lost niets op. Het vertellen van het verhaal geeft een gevoel van opluchting.’ Terwijl ze spreekt, staart ze naar de handen in haar schoot. Soms draait ze haar ogen weg. Ze is verlegen, maar ook doortastend. ‘Ik wil dat andere mensen weten wat er met ons is gebeurd.’

Helleni Abayo begint bij het begin: de dag van de ontvoering. ‘Ik was in mijn eentje op weg naar de put om water te halen. Het is niet ver van het huis van mijn opa, bij wie ik woon. Die middag had ik haast. Ik wist dat de rebellen in de buurt waren. Opeens zag ik twee gewapende mannen op me afkomen. Ik gooide snel mijn jerrycan weg en begon hard te rennen. Toen ik zag dat de ene zijn geweer op me richtte, minderde ik vaart. Ik was bang dat hij me dood zou schieten. De mannen grepen me vast en begonnen me te schoppen. Ik durfde niet te schreeuwen. De huizen waren vlakbij, maar ik wist dat niemand me zou kunnen helpen. Ik huilde. Verder kon ik niets doen.’

Heel gehoorzaam

Het Verzetsleger van de Heer bestaat uit vele duizenden kindsoldaten, jongens en meisjes in de puberleeftijd. Sinds de oprichting in 1987 zou het leger 20.000 Oegandese kinderen hebben ontvoerd. Abayo herinnert zich dat ze bij aankomst in het legerkamp heel veel kinderen op de grond zag zitten omringd door bewakers. De kinderen zagen er mager en vies uit en sommigen hadden lelijke wonden. Niemand zei iets. Allemaal meden ze haar blik. Abayo: ‘Er waren een paar kinderen die ik kende uit mijn dorp. We werden ingedeeld bij verschillende groepen. Ik heb ze nooit meer teruggezien.’

Het werd Helleni Abayo snel duidelijk welke wetten en regels er in het kinderleger golden. De meisjes hadden eigen taken: ze moesten voor het eten zorgen, als er tenminste eten was. En ze droegen de spullen. ‘Ik kreeg een groot pakket om te dragen,’ zegt Abayo. ‘Het was veel te zwaar voor mij, maar als je niet deed wat ze zeiden, werd je geslagen tot je bloedde. Ik leerde dat iedere vorm van verzet zinloos was. Elke dag werden er kinderen afgeranseld. Ik moest daaraan meedoen. Weigerde je, dan werd je zelf geslagen. Ik werd heel gehoorzaam. Als ze zeiden ‘niet praten’ dan hield ik mijn mond. Kregen we de opdracht ‘draag deze spullen’ dan deed ik dat. En als ze schreeuwden ‘kook het eten’ dan ging ik zo snel mogelijk aan de slag.’

Ze aarzelt even, kijkt weg en vervolgt dan: ‘Het allerergste was dat ik aan een van de mannen werd gegeven. Hij mocht seks met me hebben wanneer hij maar wilde. Als ik tegen spartelde, zou hij me doodmaken. Alle meisjes werden aan een man toegewezen. Er was niets aan te doen. Ik had graag een vriendin willen hebben, maar dat lukte niet. Als ze zagen dat je met elkaar praatte of zelfs maar een blik wisselde, kreeg je slaag. Ze deelden de groepen steeds opnieuw in, zodat je elke keer bij vreemde kinderen zat. Ik praatte steeds minder. Hoewel alle dagen op elkaar leken, wende dit leven nooit. Ik was doodsbang, dag in dag uit.’

Totaal onverwacht

De legerleiding probeerde ontsnappingspogingen te voorkomen. De jongens werden vaak met touwen aan elkaar geboeid, de meisjes soms ook. Dag en nacht werd de groep bewaakt door gewapende mannen. Zo nu en dan waren er toch kinderen die probeerden te ontsnappen. Helleni Abayo: ‘Ik zal nooit vergeten dat drie meisjes ervandoor waren gegaan. Toen de rebellen dat ontdekten, waren ze woedend. Wij werden erger geslagen dan ooit. Al snel hadden ze de voortvluchtige meisjes opgespoord. Ze werden teruggesleept naar het kamp en dood geslagen. Wij moesten kijken, sommigen van ons moesten meedoen. Op die dag verloor ik alle hoop. Ik wist dat ik nooit zou durven ontsnappen.’

Op een ochtend heel vroeg werd het kamp van Helleni Abayo opgeschrikt door een aanval van regeringssoldaten. ‘Het kwam totaal onverwacht,’ zegt ze. ‘Er ontstond een enorme chaos. Kinderen renden in paniek alle kanten uit. Overal werd geschoten. Opeens merkte ik dat ik helemaal alleen was. Ik heb er geen seconde over nagedacht, gooide mijn bagage weg en ben gaan rennen. We waren vlakbij de weg en aan de overkant was een post van regeringssoldaten. Ik holde erheen. Ik was vrij, maar dat kon ik nog niet geloven.’

Van haar aankomst herinnert Abayo zich alleen nog dat ze water en eten kreeg. Ze was in de war en erg angstig. Later werd ze naar een opvangcentrum gebracht waar meer kinderen zaten die uit Kony’s leger waren ontsnapt. Abayo: ‘Er waren veel hulpverleners die bij ons kwamen zitten om met ons te praten. Ik vond de angst het ergste. Die kon ik niet kwijt raken. Soms hielp het om te bidden. Voor ik ging slapen, zei ik een gebed en dan hoopte ik dat de nachtmerries wegbleven.’

Rebellenkind

Eenmaal terug in haar eigen dorp, kwam Helleni Abayo in het hulpverleningsprogramma van TPO terecht. Ze kreeg individuele therapie en kwam in een gespreksgroep met lotgenoten. Abayo zegt: ‘In het begin was het moeilijk. Ik kon niet alles vertellen. Sommige dingen zijn te erg om over te praten. Ik was er bovendien aan gewend geraakt om mijn mond te houden. De hulpverlener vroeg of ik die hele erge dingen misschien kon tekenen. Dat deed ik. Later ontdekte ik dat het fijn is om met kinderen samen te zijn die hetzelfde hebben meegemaakt. Zij snappen waar je het over hebt.’

Thuis had Helleni Abayo het moeilijk. Ze ging weer bij haar opa wonen net als voor haar ontvoering. Hij was zo oud geworden, dat zij voor hem moest zorgen. Abayo: ‘Ik heb geen andere plek om te wonen. Mijn vader is dood en mijn moeder woont ver weg met een nieuwe man en nieuwe kinderen. Mijn opa was aardig voor me, maar op straat werd ik gepest. De kinderen van het dorp begrepen er niets van. Ze scholden me uit voor rebellenkind. De hulpverleners van TPO zijn toen met de mensen in het dorp gaan praten. Ze hebben uitgelegd dat wij geen daders zijn maar slachtoffers. Wij kunnen er toch niets aan doen dat we zijn ontvoerd? Langzaamaan begonnen de mensen dat te snappen en toen hield het pesten op.’

Abayo vertelt dat het lang geduurd heeft voordat ze zich iets beter ging voelen. ‘Het enige wat helpt is veel praten en veel bidden,’ zegt ze. ‘In het begin wil je niet praten. Nooit meer, met niemand. Maar als je niet praat, kan niemand je helpen en dus ging ik het toch maar proberen.’ Inmiddels heeft Abayo haast geen nachtmerries meer en kan ze overdag weer aan andere dingen denken dan aan haar tijd in het leger. Ze gaat weer naar school. ‘Praten helpt bij het vinden van een manier om verder te leven,’ zegt ze. ‘Dat moet. Ik wil mijn school afmaken en verpleegster worden. Dat is wat ik wil.’

[kader]

Aan de geestelijke gezondheidszorg wordt in Oeganda weinig aandacht besteed. Op een bevolking van 30 miljoen kent het land maar 13 psychiaters. TPO (Transcultural Psychosocial Organisation) is een organisatie die zich richt op de geestelijke gezondheidszorg voor kwetsbare groepen. Ze houdt zich bezig met traumazorg in post-conflictgebieden en biedt psychsociale hulp bij onder meer kindermishandeling, huiselijk geweld, tienerzwangerschappen en problemen rond Hiv/Aids. TPO zoekt naar een combinatie van programma’s voor psychosociale zorg en voedselzekerheid. Cordaid Memisa steunt TPO met haar programma’s en in de lobby richting Oegandese overheid om deze programma’s in het nationale gezondheidsplan opgenomen te krijgen. 

 

In: Psy, mei 2009