Twee Oegandese kinderen lukte het om uit het leger te ontsnappen. Ze wonen nu weer thuis en gaan elke week naar een gespreksgroep met kinderen die hetzelfde hebben meegemaakt onder leiding van een therapeute. Aan Kidsweek vertellen ze hun verhaal.

Helleni Abayo (16) was twaalf jaar toen ze werd ontvoerd door de rebellen.

‘Ik was in mijn eentje op weg om water te halen. De put is niet ver van het huis van mijn opa, waar ik woon. Toch was ik bang, want ik wist dat de rebellen in de buurt waren. Opeens zag ik twee gewapende mannen. Ik gooide mijn jerrycan weg en begon hard te rennen. Toen ik zag dat ze hun geweer op me richtten, minderde ik vaart. Ik was bang dat ze me dood zouden schieten. Toen grepen ze me vast en begonnen me te schoppen. Ik durfde niet te schreeuwen, maar ik huilde wel.
Ze namen me mee. Ik verstond ze niet, want ze spraken een andere taal. We moesten een eind lopen en toen zag ik heel veel andere kinderen - allemaal kindsoldaten.
Meisjes hebben in het leger de taak om de bagage te dragen. Het was zo zwaar dat ik het bijna niet kon tillen. Ook moesten we eten koken, als er tenminste iets te eten was. Het ergste was dat ik aan een van de mannen werd gegeven. Hij mocht seks met me hebben. Als ik weigerde, zou hij me dood maken. Ik moest dus wel.
We werden vaak geslagen. Als we met elkaar praatten kregen we slaag. Of als we niet snel genoeg liepen. Of als het eten niet op tijd klaar was. Soms werd er gevochten. Dan hoorde je overal schieten en wist je niet wat je moest doen.
Op een dag probeerden drie meisjes te ontsnappen. Ze werden gepakt en dood gemaakt. Wij moesten ernaar kijken. Toen verloor ik alle hoop. Ik wist zeker dat ik nooit meer terug naar huis zou kunnen.
Op een vroege ochtend om vijf uur was er een verrassingsaanval door het regeringsleger. Niemand had het verwacht en er ontstond chaos en paniek. Opeens was ik helemaal alleen. Ik heb niet nagedacht en ben ervandoor gegaan. We waren vlakbij de weg en daar was een centrum van het regeringsleger.
Ik was vrij. Ik kon het niet geloven. Het heeft lang geduurd voordat ik niet meer bang was. Ik had altijd nachtmerries. Maar nu gaat het beter. Ik ga weer naar school en ik wil graag verpleegkundige worden. Ik hoop dat dat gaat lukken.’

Simon Ocana (18) werd door de rebellen meegenomen toen hij veertien jaar was.

‘Het gebeurde op een gewone middag op klaarlichte dag. Ik was thuis met twee vrienden, toen de rebellen kwamen. Het waren drie gewapende mannen. Ze dwongen mij en mijn vrienden om mee te komen. Mijn ouders stonden erbij en konden niets doen. Ze huilden.
Ik kreeg een geweer en ze legden me uit hoe het werkte. Ik moest meevechten en mensen dood maken. Er was geen keuze. Wie niet meedeed, werd zelf gedood.
We moesten veel lopen. Meestal waren we vastgebonden met drie of vier jongens aan een touw. Ook ’s nachts, want ze waren bang dat we zouden ontsnappen. Het was verboden om met elkaar te praten. Als ze zagen dat je contact maakte, zelfs al was het alleen maar met je ogen, dan sloegen ze je tot je bloedde.
Vaak was er niets te eten of te drinken. Soms duurde het drie dagen voordat er weer eten was. Ik werd ziek, mijn huid ging kapot en ik had maagproblemen. Ik was altijd bang en ik kon maar aan één ding denken: hoe kan ik ontsnappen?
Tijdens een aanval door het regeringsleger werden onze bewakers gedood. Ik wist meteen: dit is het moment waar ik op heb gewacht. Ik vluchtte samen met twee andere jongens. We wisten niet waar we heen moesten en dwaalden meer dan een week door het bos. Toen werden we gevonden door regeringssoldaten.
We kregen hulp en na een tijd kon ik naar huis. Dat was moeilijk, want ik werd heel erg gepest. “Jij bent een rebellenkind”, zeiden de kinderen op straat. Ik had elke nacht enge dromen en ik was verdrietig. De vrienden die samen met mij werden ontvoerd, zijn niet terug gekomen. Misschien zijn ze dood.
Het gaat nu beter met me. Ik ben niet meer teruggegaan naar school. Door alles wat ik had meegemaakt, kon ik mijn draai niet meer vinden. Ik verdien nu wat geld met pannenkoeken bakken. Eigenlijk wil ik naar de technische school, maar we kunnen het schoolgeld niet betalen. Toch blijft dat mijn droom.’

[kader]

Veel kindsoldaten uit Noord-Oeganda die net als Helleni en Simon wisten te ontsnappen uit het leger van Joseph Kony, zijn opgevangen door TPO. TPO biedt hulp aan mensen die iets ergs hebben meegemaakt en wordt vanuit Nederland gesteund door ontwikkelingsorganisatie Cordaid Memisa. Bij TPO leren de ex-kindsoldaten om te praten, te tekenen en te schrijven over hun ervaringen. ‘Het helpt niet om je mond te houden en stil in een hoekje te gaan zitten,’ zegt Heleni. ‘Als je je uit, voel je je beter.’

 

in: Kidsweek, 27 maart 2009