Fragment uit het boek

Zusje

Op een dag in augustus 1960 – de precieze datum weet ik niet – werd mijn oudste zusje geboren. Ze moet een gave, voldragen baby zijn geweest. Ik stel me een rimpelig buikje voor, in elkaar gerolde vingertjes, vochtig donker haar op het hoofdje. Ik zou haar graag beschrijven, het liefst tot in de kleinste details. Hoe lang waren de nageltjes aan haar vingers? Had ze een fronsje in het voorhoofd? Stak het onderste werveltje uit zoals bij mij? Had ze misschien ook het scheve oogje geërfd van opoe Quast, net zoals mijn moeder, mijn neven en ikzelf? Ik weet het niet.
Ik moet de details verzinnen. Ik moet het hele zusje verzinnen, want ik ken geen details. En ik betwijfel of iemand ze kent.
Mijn zusje kwam levenloos ter wereld. Dat kwam door een zwangerschapsvergiftiging. Met een beetje meer aandacht en actie van de behandelende artsen was de dood van mijn zusje misschien te voorkomen geweest. Maar de dokters waren er te laat bij en mijn zusje overleed in de buik kort voor de geboorte. Ik geloof dat mijn moeder het wel wist, of op z’n minst vermoedde. Ze voelde geen leven meer en dat moet haar angstig en argwanend hebben gemaakt. Maar of er van tevoren hardop over de dood van het kindje gesproken is, weet ik niet.
Ook over de bevalling weet ik niets. Het heeft zich afgespeeld in een ziekenhuis in Goes, want daar woonden mijn ouders. Het zou hun eerste kindje zijn. Mijn ouders waren het jaar daarvoor getrouwd. Alles moet nieuw en onbekend zijn geweest voor mijn moeder. Ik betwijfel of er in 1960 boeken waren waarin je over de bevalling kon lezen. Ik had wel tien van dat soort boeken naast mijn bed liggen toen ik bijna veertig jaar later zwanger was. Met foto’s en tekeningen, ervaringsverhalen en bladzijden vol tips en adviezen. Wist mijn moeder wat haar te wachten stond? Had iemand het haar uitgelegd? Was ze bang?
Ik stel me de bevalling voor. Het wegzuchten van de weeën, het barre werk van de uitdrijving, de bedrijvigheid, de aanmoedigingen, het kreunen. Was mijn vader erbij? Wist hij hoe het kindje eraan toe was? Werd daarover gesproken? Door wie dan en in welke bewoordingen? Ik moet ernaar gissen. Mijn moeder heeft er nooit iets over gezegd. Ze vertelde alleen hoe het meteen na de geboorte angstwekkend stil werd in de verloskamer. Geen gespartel en gefriemel. Geen mondje dat openging, geen huilen of krijsen. Niet eens een zacht gekreun of een klein zuchtje. Niets. Geen enkel geluid.
Het was die stilte die mijn moeder de rest van haar leven bij zou blijven.

Ook wat er daarna gebeurde, heb ik alleen van horen zeggen. En zelfs dat bijna niet. Ik vul de flarden van het verhaal aan met wat ik in de loop der tijd heb opgevangen, her en der, uit gesprekken, boeken, tijdschriften. Het zal zo gegaan zijn als in de jaren zestig gebruikelijk was: snel het dode lijfje weghalen, vlug afvoeren, niet te veel over praten. Mijn ouders kregen het advies om te proberen de gebeurtenis zo snel mogelijk te vergeten. Dat was het beste. Ze waren nog jong. Een volgende keer zou het vast beter gaan.
Waarschijnlijk hebben mijn ouders het lichaampje van mijn zus niet eens aangeraakt. Het zal weg zijn gehaald voor ze er erg in hadden. Ik denk niet dat ze de kans hebben gekregen om hun kindje vast te houden, laat staan om het te koesteren, te wassen en daarna mooi aan te kleden. Het kwam in niemands hoofd op om zoiets te doen. Wat tegenwoordig dringend aan ouders wordt aangeraden in zulke omstandigheden – neem de dode baby bij je, bekijk hem, voel hem, verzorg hem – was in 1960 volstrekt ongebruikelijk. Ik vraag me zelfs af of mijn ouders hun dochter hebben gezien. Ik durf het ze niet te vragen.
Het lichaampje van mijn zus is daarna begraven in stilte en zonder veel mensen. Ik geloof niet dat mijn moeder erbij was, misschien mijn vader niet eens. Een grafsteen is er niet of in elk geval niet meer. Voor zover ik weet zijn er geen kaartjes gestuurd en is er geen advertentie geplaatst. En er zijn al helemaal geen foto’s, zoals vandaag de dag gebruikelijk is, en natuurlijk ook geen voetafdrukje of haarlokje. Er is helemaal niets. Zelfs geen naam. Want de naam die voor de oudste dochter gekozen was, ging twee jaar later naar mij. Ik leefde wel.

Over het zusje werd niet gesproken bij ons thuis. Dat mocht niet. Ik herinner me die ene keer dat mijn moeder over haar verteld heeft nog precies. Ik was een kleuter en zat in bad met mijn jongere zus. We zullen hebben zitten spelen met de badeend en de plastic bekertjes, toen mijn moeder de badkamer binnenkwam. Ik dacht dat ze ons uit bad kwam halen. ‘Jij eerst.’ ‘Nee, jij.’ Maar ze pakte helemaal geen handdoek en ze zei niets. Ze leunde tegen de wasmachine en keek naar ons. Haar gezicht stond ernstig op een manier die ik niet kende.
‘Ik moet jullie iets vertellen, je moet goed luisteren,’ zei ze. ‘Jullie hebben een zusje gehad, maar ze is dood.’ Ze heeft vast wel iets meer gezegd dan dat, maar dat staat me niet meer bij. Het was in elk geval geen lang verhaal en er waren nauwelijks details. Ik geloof ook niet dat ik iets teruggezegd heb of dat we vragen mochten stellen. Wat bleef hangen – en wat nog steeds is blijven hangen – was het uitdrukkelijke verbod om ooit met iemand over het dode zusje te spreken. ‘Niet met vriendinnetjes, niet met de juf, niet met een tante of oom. Met niemand.’ Ik kan de stem van mijn moeder nog horen, toen ze dat zei.
Ik weet ook nog dat ik het niet begreep. Waarom zou je niet over je zusje mogen praten? Wat was daar erg aan? Ik vond het bovendien jammer dat het niet mocht. Het leek mij een uitermate interessant onderwerp. Ik had veel vragen, maar ik begreep dat ik die niet kon stellen en ik hield mijn mond. Dit was een echt geheim. Het was geheimer dan alles wat ik tot dan toe in mijn leven gehoord of gezien had. Dat kon ik voelen. En ik zwoer een serieuze eed, die niet paste bij een vijfjarige: ik zou me houden aan deze opdracht waar ik niets van begreep. Ik zou het geheim bewaren. Bij mij was het veilig.

Ik herinner me dat ik als kind vaak aan het zusje dacht, ’s avonds in bed als ik niet kon slapen. Hoe zou het geweest zijn in een gezin met drie zusjes? Hoe zou het voelen om niet meer de oudste te zijn? Zouden we met z’n drieën een kamer delen? En waar moest haar bed dan staan? Ik stelde me de hemel voor waar ik mijn zusje later zou ontmoeten. Groen gras, witte jurkjes, glanzende vleugeltjes. Het zag er prachtig uit, maar al snel sloeg de verwarring toe. We deelden immers één naam, zij en ik. Hoe moest dat nou? Als god ons zou roepen, wie zou er dan aan komen rennen? Wie was de echte Corien? Zij was de eerste, ik was de levende.
Ik tobde erover, maar een oplossing vond ik niet. Ik kon er met niemand over praten, want dat was verboden.
Hoewel ze nooit genoemd werd, was het dode zusje er intussen wel. Ze was er eigenlijk altijd. Een naamloos geheim dat boven het gezin zweefde. Ik vond het aan de ene kant spannend om iets te weten dat ik met niemand mocht delen. Tegelijkertijd woog het zwaar. Ik begreep heel goed dat dit geheim van een andere orde was dan een sinterklaasgeheim of de geheimpjes die vriendinnetjes in elkaars oor fluisteren. Het dode zusje intrigeerde en bedrukte me. Toch hield ik me netjes aan de opdracht: ik sprak nooit over mijn zusje, met niemand.

In later jaren is het zusje steeds meer op de achtergrond geraakt. Ik hield me aan de zwijgcode, al werd ik wat minder strikt dan in mijn kindertijd. Het zwijgen kostte weinig moeite meer. Het was een gewoonte geworden. Het zusje was niet veel meer dan een verhaal van lang geleden, van voor mijn tijd. Soms dacht ik aan haar, meestal niet. Een heel enkele keer noemde ik mijn zusje, zo terloops mogelijk, in een bijzin. Dat voelde nog altijd als een overtreding. Het joeg me angst aan. Waarom had ik het gezegd? Ik hield snel mijn mond en begon over iets anders.
Ik trouwde met een man die net zo’n verhaal bleek te hebben als het mijne. In zijn gezin is een ouder broertje geweest dat kort na de geboorte is overleden. Het dode broertje was in zijn familie geen verboden onderwerp, maar toch kwam hij zelden ter sprake. Het jongetje was naamloos gebleven, net als mijn zusje. En ook daar is de naam doorgegeven aan het volgende kind. Zo ging dat blijkbaar in die tijd. Mijn man en ik hebben de verhalen uitgewisseld, maar lang hebben we er niet over gepraat. Geen van beiden kenden we veel details. Het was frappant vonden we, dat gespiegelde verhaal – jij een broertje, ik een zusje – maar veel verder ging het niet.

Op een dag een jaar of zes geleden dook het zusje plotseling en onverwacht op. Het overviel me volkomen. Het was op een vrijdagmiddag in de winter. Het schemerde al toen ik mijn vierjarige dochter kwam ophalen bij haar vriendinnetje Micky met wie ze na schooltijd gespeeld had. Ik was nog niet binnen of de twee meisjes kwamen op me afrennen. Ze hadden iets in hun handen waar ze enthousiast mee zwaaiden. ‘Kijk mama, kijk.’ Het was een ingelijste foto. Ik zag een mooie close-up van Micky met een baby op haar schoot. ‘Dat is Micky met haar zusje, maar die is dood,’ riep mijn dochter opgewonden, terwijl ze me de foto in handen duwde. Ik bekeek de foto – je kon van dichtbij goed zien dat het geen levend baby’tje was – en begon tot mijn eigen stomme verbazing te huilen.
Nooit eerder had ik aan de mogelijkheid gedacht, maar nu overviel het me: stel dat er van mijn eigen zusje een foto was geweest. Stel dat iemand eraan gedacht had om er een te maken. Dan had ik haar kunnen zien. Ze had ingelijst in de boekenkast kunnen staan en we hadden haar niet geheim hoeven houden. Misschien had ze dan ook wel een naam gehad. Ik zou haar aan mijn vriendinnetjes hebben getoond, net als Micky. Met gepaste trots. ‘Dit is mijn zusje, maar ze is dood.’
Het was een wonderlijke gedachte. Ik wist heel goed dat niemand destijds zelfs maar het idee geopperd heeft om een foto te maken. Wie had dat moeten verzinnen? Het was 1960 en het was ondenkbaar om een dode baby te fotograferen. Buiten de orde, onvoorstelbaar. En toch betreurde ik dat feit. Voor het eerst in mijn leven.
Intussen zat ik aan de keukentafel met de moeder van Micky. Ze gaf me een zakdoek en een glas wijn. De kinderen renden rond, alweer verdiept in een volgend spel. De foto was teruggezet in de boekenkast. We dronken onze wijn en praatten over de dood van Micky’s zusje drie jaar geleden. Het baby’tje heette Isa en had maar acht dagen geleefd. Micky’s moeder pakte een album met herinneringen. Er waren nog meer foto’s, er was een geboortekaartje en ook een dagboekje dat was bijgehouden in de tijd dat Isa op de intensive care lag. Er was ook een graf, vertelde ze, met een steen erop en een naam. Maar vooral: er was een verhaal en dat verhaal werd verteld. Ik kon vragen stellen en er waren antwoorden.
‘Isa heeft een plek in ons gezin,’ zei haar moeder. ‘We praten over haar, we noemen haar. Dat kan ook heel terloops zijn. Het autoraampje rechts achterin heet Isa’s raam. Daar zou ze gezeten hebben, als ze had geleefd.’

Het beeld van de foto van een dode baby in de boekenkast blijft bij me haken. Ik moet er steeds weer aan denken. Hoe kan het dat iets wat we tegenwoordig volkomen normaal vinden – een familiefoto op een plank – in 1960 ondenkbaar was? Wat is er in die tussentijd gebeurd? Wat is er veranderd? Waarom bestaat er van Micky’s zusje een album met foto’s en herinneringen en is er van mijn zusje uit 1960 helemaal niets overgebleven? Geen beeld, geen graf, geen naam. Niet eens een verhaal.
Ik krijg steeds meer vragen. Ik wil weten waarom mijn zusje verzwegen moest worden. Ik wil begrijpen wat er destijds gebeurd is en waarom. Hoe konden ze mijn moeder de baby meteen na de geboorte ontnemen? Wie heeft bedacht dat dat goed zou zijn? Waarom moest mijn ouders de confrontatie met hun dode kind koste wat het kost worden bespaard? En waarom dacht iedereen dat verzwijgen en verdringen het beste was? Was dat het beleid in alle ziekenhuizen? En waarom dan?
Ik besluit op zoek te gaan. Ik kijk op internet, lees stapels boeken en artikelen. Ik pleeg telefoontjes, maak interviews, noteer namen, feiten, gedachten. Ik ontmoet allerlei mensen en voer gesprekken die ik anders nooit gevoerd zou hebben. De stapel boeken op mijn bureau groeit en de ordner met knipsels raakt steeds voller.
Langzaam ontstaat er een beeld. Het verhaal van mijn verzwegen zusje blijkt niet op zichzelf te staan. Het past in een tijdperk. Je kunt eruit aflezen hoe men rond 1960 tegen dood en rouw aankeek. Het verhaal begint bovendien als spiegel te werken: aan de geschiedenis van mijn zusje lees ik af hoeveel er de afgelopen jaren veranderd is. Niemand zal het vandaag de dag meer in zijn hoofd halen om een dode baby weg te moffelen en te verzwijgen. Geen mens zal ouders meer adviseren om vooral niet over de gebeurtenis te praten. De tijden zijn radicaal veranderd.

Terwijl ik het druk heb met het verzamelen van steeds meer feiten, realiseer ik me aldoor dat er iets ontbreekt. In een achteraf hoekje van mijn brein besef ik dat ik iets over het hoofd zie. Soms knaagt het, maar dat probeer ik te negeren.
Er klopt iets niet en ik weet best wat het is. Hoewel het zusje het middelpunt van mijn zoektocht is – zij stuurt en stuwt het onderzoek – probeer ik haar tegelijkertijd nog steeds te verzwijgen. Dat was de opdracht en daar probeer ik me nog altijd aan te houden. En dus draai ik om de feiten heen. Als mensen vragen waar mijn boek over gaat, hou ik me op de vlakte. ‘Een zwaar onderwerp. Het gaat over de dood.’ En als ze doorvragen geef ik een algemeen en vaag antwoord: het gaat over rouwrituelen en hoe die in de loop der tijd veranderd zijn. Ook tijdens de interviews verzwijg ik mijn zusje. Dat leidt soms tot ongemakkelijke situaties, maar dat kan me niet schelen. Alles is beter dan die oude belofte verbreken.
Intussen heeft het onderwerp me gegrepen. Ik doe er alles voor om meer te weten te komen over doodgeboorte en rouw, over hoe het ging rond 1960 en hoe de tijden veranderd zijn. Ik wil alles weten en alles lezen. Maar het meest voor de hand liggende, het meest logische laat ik na: ik stap niet naar mijn ouders toe om over het zusje te praten. Dat durf ik niet. Ik probeer me nog altijd te houden aan die oude wet: praat nooit over haar. Met niemand.

uit: Corien van Zweden, De kunst van het rouwen. Een persoonlijke geschiedenis, L.J.Veen Amsterdam 2008