Interview met straatrover André Amsing

 

 

‘Mensen zijn bang voor mij. Geef mij een mes en ik kan aan de slag.’

 
‘Op straat is het een hel. Het wordt steeds onveiliger. Er lopen er meer rond zoals ik. Het moet een hel zijn voor degene die wordt gepakt. Het mes op de keel: geef je geld, en anders heb je een probleem.’ André Amsing (41) heeft een lange carrière als straatrover achter zich. ‘Ik was dertien bij mijn eerste tasjesroof en veertien toen ik voor het eerst opgepakt werd,’ zegt hij. ‘Ik schat dat ik de afgelopen jaren bij elkaar zo’n twaalf jaar in de gevangenis heb doorgebracht. Soms een korte straf, dan weer wat langer. Ik heb net tien maanden gezeten in de gevangenis in Zutphen. Sinds afgelopen vrijdag ben ik weer op vrije voeten.’

Sindsdien is Amsing dakloos, hij gebruikt drugs en drinkt te veel. Een baan heeft hij niet, een uitkering evenmin. Hij vertelt: ‘Op de dag dat je straf erop zit, zetten ze je buiten de gevangenispoort. Je krijgt wat geld voor de trein en dat is het. Verder niets. Ik ben meteen naar Amsterdam gereisd, want daar liggen mijn roots. Maar ik heb hier niks: geen huis, geen familie, geen geld. Zolang je nog in de bak zit, droom je wel eens van een ander leven. Dan zeg ik tegen mezelf: ik ben het zat, ik wil eruit. Je ziet het einde van je straf naderbij komen en je wordt bang. Je weet dat je straks op straat staat en dat er niets geregeld is. Geen plek om naartoe te gaan, geen uitkering, geen baantje.

‘Ik zag als een berg tegen het einde van mijn straf op. Van mij had het wel langer mogen duren. Je weet dat het allemaal weer van voren af aan begint, zodra je vrij komt. Je gaat weer gebruiken, of je wilt of niet. Wat moet je anders? Niet gebruiken is pas echt verschrikkelijk. De afgelopen maanden ben ik clean geweest. In de bajes kun je zonder problemen aan soft drugs komen, maar hard drugs en alcohol kun je wel vergeten. Zodra je buiten de gevangenispoort staat, begint het lieve leven weer. Dat gaat vanzelf. Ik gebruik cocaïne en zo nu en dan een pilletje. Geen heroïne meer. Daar ben ik jaren geleden al mee gestopt. Die coke kost natuurlijk geld en dat geld moet je organiseren. De eerste nacht nadat ik was vrij gekomen, heb ik meteen weer een portemonnee geroofd. Ik zag geen andere mogelijkheid. Het is even lastig, maar daarna ben je er weer aan gewend. Het is niet anders.’

 
Amsings levensverhaal lijkt op dat van heel veel andere criminelen. Zo praat hij er ook over: het bekende verhaal. Niet iets om lang over uit te weiden. ‘Mijn vader dronk en hij was gewelddadig. Hij sloeg mijn moeder, hij sloeg ons. In het weekend was het altijd een dreigende boel.  Je wist dat je klappen kreeg. Ik had drie zusjes en een broer. Hij sloeg ons allemaal en mijn zusjes werden verkracht. Dat had ik toen niet door, al wist ik wel dat er iets niet helemaal goed ging. Je hoorde ze gillen. Het was geen leuke jeugd.’

André Amsing werd geboren op een bovenwoning in Oud-West. Later verhuisde het gezin naar Diemen. Veel herinneringen heeft Amsing niet aan de eerste zeven jaren van zijn leven, en leuke herinneringen al helemaal niet. Hij vertelt dat zijn vader een tamelijk hoge functie bij het gemeentelijk vervoerbedrijf had. ‘Ik weet niet precies wat hij deed. Hij zat op kantoor en was lange dagen van huis. Meestal kwam hij pas laat in de avond thuis. Dronken.’ Zijn moeder werkte soms in een winkel en zorgde zo goed en zo kwaad als het ging voor het gezin. Er was nooit geld en van tijd tot tijd was er geen eten voor de kinderen.

Het drankprobleem van zijn vader tekende de verhoudingen thuis. Angst regeerde. André Amsing: ‘Ik was altijd bang. Ik vond het op straat veiliger dan in huis. De meeste mensen komen thuis en denken: zo ik ben veilig binnen. Maar bij ons was het andersom: je was blij als je buiten stond. Ik lag ‘s avonds vaak klaarwakker in mijn bed. Dan wachtte ik tot ik de sleutel in het slot hoorde. Zodra mijn vader binnen was, begon het feest. Je begrijpt niet hoe een vader zich zo kan gedragen. Ik ben zelf vader. Ik heb twee dochters bij mijn ex-vrouw. Die zijn alles voor me, ik zou ze nooit van mijn leven kwaad doen. Maar mijn vader kon het niks schelen. Hij sloeg ons allemaal in elkaar.’


Op een dag had Amsings moeder er genoeg van. ‘Ik was pas zeven, maar ik weet het nog als de dag van gisteren,’ zegt hij. ‘Mijn moeder kon het niet meer aan. Ze liep weg en nam ons allemaal mee. Ik was eerst opgelucht dat we uit huis weg waren, maar ik wist natuurlijk niet wat me boven het hoofd hing. We zwierven over straat en ik geloof dat we de nacht in een portiek hebben doorgebracht. We wisten niet waar we heen moesten. De volgende ochtend zijn we door de politie opgepakt.’ 


Vanaf die dag woonde André Amsing in verschillende tehuizen en internaten, totdat hij oud genoeg was om op zichzelf te kunnen wonen. Hij weet niet meer op hoeveel plekken hij gewoond heeft. ‘Een hele reeks. Het ging overal mis en dan werd ik ergens anders heen gestuurd. Ze vonden me agressief en onhandelbaar,’ vertelt hij. ‘Allereerst werd ik in een tehuis in Apeldoorn gestopt. Mijn zusjes en broers gingen ergens anders heen. Mij werd niks verteld, niks uitgelegd. We waren elkaar kwijt, een ramp. Sindsdien heb ik niemand van mijn familie meer gezien of gesproken, ik weet niet waar ze zijn en of ze nog leven. Ik begrijp niet waarom mijn moeder me nooit gezocht heeft. Van mijn vader kan het me niks schelen. Die hoef ik nooit meer te zien, maar van mijn moeder snap ik het niet.’

Het leven in de kindertehuizen was hard, vertelt Amsing. ‘Ik paste me snel aan. Ik had meteen door dat je moest vechten voor je plek, het ging erom wie de sterkste was. Daar heb ik nooit problemen mee gehad, want ik ben groot en ik kan goed vechten. Ik terroriseerde de hele boel.’ Hoewel hij veelvuldig van school moest wisselen, voltooide Amsing zonder veel problemen de basisschool en doorliep hij de lagere technische school. Intussen was hij begonnen met drinken en raakte hij aan de drugs. Volgens hem was dat onvermijdelijk. Al zijn vrienden gebruikten. ‘Het ging vanzelf,’ zegt hij. ‘Je kon in die tehuizen doodmakkelijk aan drank komen. Op mijn twaalfde begon ik te drinken, op mijn dertiende gebruikte ik heroïne en cocaïne. Om dat te kunnen betalen, begon ik tassen te roven. Ik was er goed in.’

 
André Amsing was zestien jaar toen hij op zichzelf ging wonen. Hij verdiende wat geld met timmerwerk, maar straatroof bleek al snel een stuk lucratiever te zijn. Hij ontwikkelde een werkwijze die hij tot op de dag van vandaag toepast. ‘Het is niet zo ingewikkeld,’ zegt hij. ‘Ik werk al jaren in dezelfde buurt achter de Haarlemmerdijk. Je hebt daar veel straten, grachten en stegen, zodat je je makkelijk uit de voeten kunt maken. Ik ken elke steeg en ieder portiek. ’s Avonds laat ga ik aan het werk. Ik loop rond en zoek een slachtoffer uit. Het liefst iemand die alleen is, maar ik pak ook wel eens twee mensen. Nooit drie, dat is teveel. Toeristen zijn het gemakkelijkst, die zijn doodsbang en hebben meestal veel op zak. Je zet ze het mes op de keel. Over het algemeen is dat voldoende en hoef je helemaal niet te steken. Ze schrikken zich de pleuris en geven hun portemonnee.’


Hij vertelt dat er rangen en standen zijn in de wereld van de kleine criminaliteit. ‘Ik zou nooit een winkeldiefstal plegen. Waarom zou ik? Dat is iets voor mensen die te klein of te zwak voor straatroof zijn. Dat heb ik niet nodig, ik ben groot en sterk. Dat is mijn geluk. Mensen zijn bang voor mij. Geef mij een mes en ik kan aan de slag. Ik zou nooit met een pistool de straat op gaan, al zijn er genoeg die dat wel doen. Voor een paar honderd euro heb je een pistool. Alle dealers hebben tegenwoordig een pistool op zak. Mij maak je niet bang. Ik denk niet dat ze mij ooit te pakken zullen nemen. Je ziet wel dat het klimaat harder en gewelddadiger is geworden de afgelopen jaren. Mensen hebben echt overal schijt aan, ze knallen je zo neer. Ik word daar zelf niet gewelddadiger van. Ik ben niet zo snel opgefokt. Ik heb altijd een mes gebruikt, dus waarom zou ik dat veranderen?

‘Ik weet niet waarom het geweld op straat zoveel harder is geworden. Het is gewoon zo. Er is veel minder respect dan vroeger. Mensen hebben niets meer voor elkaar over. Kijk naar zo’n Theo van Gogh. Die hebben ze op klaarlichte dag een kogel door zijn kop gejaagd. Midden op straat. Waarom doet iemand dat? Het is de kick denk ik. Ze willen laten zien wie de sterkste is. Buitenlanders drukken steeds meer een stempel op het klimaat, Joegoslaven, Marokkanen, Surinamers. Ze werken in groepen en hebben een ontzettend grote bek. Allemaal hebben ze hun eigen taal en hun eigen werkplek. Die werelden zijn gescheiden, in de bak ook: zwarten bij zwarten, Marokkanen bij Marokkanen. Heel heavy. Maar op mijn werk heeft het geen invloed. Ik heb altijd in mijn eentje gewerkt en dat zal ik ook blijven doen. Anders moet je je buit nog met iemand delen ook. Nee dankjewel, ik doe het liever alleen. Ik heb mijn eigen terrein en ik doe het op mijn manier. Daar komt niemand tussen.’


De andere kant van het verhaal kent Amsing ook. Hij vertelt hoe hij na jaren van verslaving en straatroverij op een dag een gewoon burgermansbestaan wist op te bouwen. ‘Je zou het niet denken, maar ik ben gewoon getrouwd geweest. Een vrouw, twee dochters, een woninkje in de Van Hogendorpstraat in Oud-West en een auto voor de deur. Ik had me opgewerkt tot systeembeheerder, een goeie baan en ik verdiende lekker. Net als iedereen. Dan stond ik op zaterdagmiddag uit mijn raam te kijken en zag ik beneden op straat al dat gedoe: verslaafden, boeven, dealers. Dat hoef ik niet meer, dacht ik dan. Je weet wat voor leven die mensen leiden, maar wat je voelt is verachting.’

Toch ging het mis. Amsing: ‘Ik kreeg een hernia en kwam langdurig in de ziektewet terecht. Mijn baas wilde van me af. Dat werd een conflict met de vakbond erbij. Ik heb me laten uitkopen. Toen had ik opeens een grote som geld en ik zat me intussen thuis rot te vervelen. Ik voelde me depressief en gestresst en begon met seresta. Dat was niks. Ik viel boven mijn eten in slaap. Dus dan pak je iets anders. Mijn vrouw heeft me wel duizend keer gewaarschuwd, maar ik denk dat ik toch wel iets van mijn vader heb geërfd. Ik begon steeds meer ruzie met mijn vrouw te maken, en ja, ik ben ook wel eens een beetje agressief geweest. Niet tegen mijn dochters, dat zou ik nooit doen, maar wel tegen mijn vrouw. Totdat ze op een dag besloot om bij me weg te gaan. Dat sloeg bij mij in als een bom. Wat moest ik nog? Toen heb ik mijn oude leven weer opgepakt. Ik raakte zwaar aan de coke, mijn huis werd ontruimd, mijn spullen was ik kwijt. Ik had niets meer te verliezen.’

 
Volgens Amsing is Amsterdam een gevaarlijke stad. ‘Ik kan het weten,’ stelt hij. ‘Het maakt niet uit in welke buurt: overal wordt geroofd en gemoord en het wordt alleen maar erger. De politie probeert een offensief te beginnen, maar dat haalt niets uit. Probeer mij maar eens tegen te houden als ik wil gaan roven. Dat lukt je niet. Meer politie op straat? Ik denk niet dat het veel uitmaakt. Je kunt niet de hele stad volstouwen met politie. Ik kijk goed om me heen: daar lopen twee agenten. Ik wacht tot ze om de hoek zijn verdwenen en sla alsnog mijn slag. Net zo makkelijk.’

Buiten Amsterdam is het allemaal wat minder extreem, volgens Amsing. Hij zegt:‘Ik zou niemand aanraden om in Amsterdam te gaan wonen. Gelukkig woont mijn ex-vrouw met de meiden in Egmond. Dat is veiliger en rustiger. Daar ben ik blij om. Mijn kinderen zijn twee en zeven jaar. Ze zijn een paar keer bij me op bezoek geweest in de gevangenis. Ze weten wat er aan de hand is met mij. “Pappie waarom zit je hier?” vroeg de oudste, toen ze de eerste keer op bezoek was. Als je het hebt uitgelegd, is het verder goed. Dan hoeven ze niets meer te weten. Vooral die oudste is gek van mij. Die meiden betekenen alles voor me.’


Het is geen prettige wereld waarin zijn dochters moeten opgroeien, vindt Amsing. ‘Het is niet veilig op straat. Dat moeten ze zich realiseren, hoe jong ze ook zijn. Ik leer ze om alert te zijn. Nooit in de buurt van ruzies komen. Loop liever een blokje om als je ziet dat er iets aan de hand is. Dat soort dingen.’ Hij pauzeert even en vervolgt. ‘Toen ik in de gevangenis zat, heb ik over die dingen nagedacht. Vooral ‘s nachts als ik niet kon slapen. Je zit 23 uur per etmaal achter een gesloten deur, dus dan denk je wel eens ergens aan. Vroeger kon je aan het werk in de gevangenis, maar dat is allemaal wegbezuinigd. Nu zit je dag en nacht in je eentje op je cel met een televisietoestel en een boekje. Zo begon ik na te denken over mijn slachtoffers. Die mensen schrikken zich de pestpleuris, als ik plotseling opduik. Misschien heb ik ze wel een trauma voor het leven bezorgd. Dat besef ik heus wel. Maar als je weer op straat staat, heb je geen keus. Dan drink ik wat of ik slik een paar pillen en ga aan het werk. Bang ben ik nooit, twijfel voel ik niet. Ik zie geen andere mogelijkheid om aan mijn geld te komen. Je moet je staande houden in het leven. Ik ook.’