Naar het land van vogelspinnen en slangen


‘Hoe weten we nou dat dit Bolivia is?’ Na meer dan 24 uur reizen en stopovers in Madrid en Buenos Aires zijn we eindelijk geland op het vliegveld van Santa Cruz de la sierra in het tropische laagland van Bolivia. Lisa (5) staat met haar roze gloednieuwe rugzakje op de roltrap. Ze heeft de afgelopen uren zoveel identieke roltrappen, vertrekhallen en balies gezien. Alle vliegvelden lijken op elkaar. Pas als we in de warme avond naar buiten lopen, wordt het verschil duidelijk. Bolivia is donker, geurig en er waait een harde hete wind. De takken van de palmbomen zwaaien spookachtig heen en weer.
Even later zitten Lisa en haar zus Sara (3) met wijdopen oogjes op de achterbank van de terreinwagen. Hier hebben ze wekenlang over gepraat en gedroomd: drie maanden Bolivia. Dit is het land waar papa en mama drie jaar gewoond hebben, waar ze foto’s van hebben gezien, waar ze mensen van kennen, waar ze alle twee zijn ‘gemaakt.’ Voor Lisa is het zelfs een beetje terug naar haar roots: ze bracht haar babytijd in het Boliviaanse Amazonegebied door, zette haar eerste stapjes in de schaduw van de mangoboom en leerde er haar eerste woordjes – in het Spaans.
Vanwege het werk van hun papa – hij is tropisch ecoloog en doet onderzoek naar duurzaam bosbeheer in Noord-Bolivia – krijgen wij de kans om deze zomer voor drie maanden terug te gaan naar Bolivia. Twee maanden zullen we doorbrengen in het Amazone stadje Riberalta, waar we vroeger gewoond hebben. Het ligt midden in het regenwoud en de kinderen praten al wekenlang over vogelspinnen en slangen. Daarna gaan we nog vier weken reizen en zullen we kennismaken met de besneeuwde toppen van de Andes, indianenvrouwtjes met bolhoeden en lama’s waar je op zitten mag.

Wolk rood stof

Anderhalf uur lang hebben we vanuit de ramen van het kleine vliegtuigje alleen maar oerwoud gezien. 500 kilometer lang – dat is zo ver als van Amsterdam naar Parijs – is er niets anders te zien dan bos met zo nu en dan een kronkelende troebele rivier. Van boven af lijken de boomkruinen net op een onafzienbaar veld vol broccoli. Daar waar twee grote rivieren samenkomen, ligt Riberalta. We dalen. De zon hangt laag en oranjerood boven het stadje. We zien daken van palmblad en rechte onverharde straten. In een enorme wolk rood stof komt het vliegtuigje tot stilstand.
De plakkerige hitte valt op ons als we het trapje afdalen. We worden opgewacht door oude vrienden en bekenden. Doňa Rosa die voor Lisa zorgde toen ze nog een baby was, haar kinderen, haar nichtjes – allemaal willen ze ons omhelzen. Nog nooit in hun leven zijn Lisa en Sara zo uitbundig gezoend, omhelsd en geknuffeld. Ze zijn een beetje beduusd, maar blijven lief lachen.
‘Ik herken het,’ roept Lisa opgewonden, als we een half uur later door het dorp in de richting van de markt rijden. De schemering is gevallen, de marktkramen zijn schaars verlicht, het ruikt naar rottend fruit, houtvuren, benzine. Om ons heen razen tientallen brommertjes. ‘Echt waar, ik ken dit,’ zegt Lisa opnieuw. Hoe kan dat? Ze was 15 maanden toen we terug verhuisden naar Nederland. Komt het door de fotoboeken die ze honderd keer bekeken heeft? Of zijn het de geuren die haar bij gebleven zijn?

Witblonde hoofdjes

Omdat we twee maanden blijven, gaan de kinderen naar de dorpsschool. Het gebouw is oud en vervallen. In het kleuterklasje liggen wat stoffige boekjes en een berg kapot speelgoed. Er is een binnenplaats met oude mangobomen en een winkeltje waar je in de pauze voor 1 Boliviano een warme empenada (kaasbroodje) kunt kopen. Lisa en Sara vallen op met hun witblonde hoofdjes. Iedereen wil hen aanraken en hun haren voelen. Dat zijn ze al een beetje gewend, want op straat is het niet anders. Ze vinden het niet leuk, maar ondergaan het gelaten.
Het leukste van naar school gaan, is de reis erheen. Het meest gebruikte vervoermiddel in Riberalta is de brommertaxi. Lisa mag voorop op de benzinetank, mama neemt met Saar achterop plaats. En daar gaan we, met wapperende haren en een wolk stof achter ons aan. De school begint om 8:00 uur, maar niemand vindt het erg als je te laat komt. Zelfs de juffen komen vaak te laat. Om 11:00 is de school al afgelopen, want dan wordt het te heet.
Tijdens de lange, lome middagen, is het rustig in het dorp. De kinderen schommelen in de hangmat, spelen met water en zand of in het zwembadje. In de rivier kun je niet zwemmen: er zitten piranha’s, sidderalen en kaaimannen in. Lisa en Sara hebben al snel vriendinnetjes opgedaan. Ze hebben de grootste lol samen. Er wordt Spaans gesproken, maar als het te lastig wordt, stappen Lisa en Sara gewoon op Nederlands over. Het lijkt geen problemen te geven. Verstoppertje spelen is internationaal. En ook voor met de poppen teuten, de waakhond plagen of met water en modder knoeien hoef je elkaars taal niet te spreken.
Soms gaan we op bezoek bij Doňa Rosa in haar zelf gebouwde huis aan de rand van het stadje. De kinderen spelen met Rosa’s kleindochter en nichtjes. Het is leuk bij Rosa, want ze heeft een heleboel dieren: twee papegaaien, een paar schildpadden, een stel honden en een klein ondeugend aapje. Vooral het aapje is in trek. Hij speelt met de kinderen en pikt de biscuitjes uit hun handen.

Geen slang

Natuurlijk mogen de kinderen ook een dag met papa mee naar het oerwoud waar hij onderzoek doet. Lisa en Sara hopen een slang te zien, of een aap of misschien zelfs een jaguar. We moeten eerst een stuk rijden met de jeep tot aan het veldstation midden in het bos. Zodra je uitstapt, hoor je het bos: een enorm gesjirp en gezaag van duizenden boomkrekels en insecten. We doen lange broeken aan, hoge schoenen en een t-shirt met lange mouwen. Het bos zit vol muggen die dwars door onze kleren heen prikken. Er zijn ook bijtmieren, wespen en heel veel piepkleine teekjes die ontzettend jeuken.
We lopen dwars door het bos achter de gidsen aan die de weg goed kennen. De bomen zijn hoog en de begroeiing is dicht. Het is schemerig groen om ons heen en het ruikt zwaar naar bladeren en aarde. Zwetend klauteren we over omgevallen bomen. Als we een diepe geul over moeten steken, worden Lisa en Sara gedragen door de gids. Wat is die sterk! De kinderen mogen de boor vast houden waarmee houtmonsters worden genomen uit de stam van een manshoge paranotenboom. Hij is …meter in doorsnee. Er zijn ook bomen met luchtwortels die groter zijn dan Lisa, en slanke hoge palmen die worden gekapt voor palmhart. Maar slangen zien we niet. Gelukkig maar.

Hoogteziekte

Vanuit Riberalta in het tropische laagland vliegen we in een klein vliegtuigje naar La Paz – een van de hoogste steden ter wereld. De stad is gebouwd in een wijde krater op de altiplano. Dat is de hoogvlakte tussen de twee bergketens van de Andes en ligt op 4100m. – even hoog als de hoogte toppen van de Alpen in Europa. Boven La Paz uit torent de besneeuwde vulkaan Illimani (6460m.) Als we op de hoogvlakte uit het vliegtuig stappen, voelen we de hoogte. Het is droog en koud en er zit weinig zuurstof in de lucht. De mensen die hier wonen, zijn aan de dunne lucht gewend, maar wij niet. Ademhalen kost moeite en we hijgen als we een paar treden moeten klimmen. De koffers lijken zwaarder dan ooit.
Het lichaam heeft tijd nodig om zich aan te passen aan de hoogte. Een paar uur na aankomst in La Paz krijgen we barstende hoofdpijn, we moeten overgeven en voelen ons doodmoe. Dat heet hoogteziekte en het duurt een of twee dagen. We drinken thee van cocabladeren – een lokale remedie die wat verlichting brengt. Lisa en Sara hebben minder last van de hoogte dan de volwassenen, al moeten ze wel een paar keer overgeven. Lisa heeft energie genoeg om lekker te schommelen in de speeltuin om de hoek, maar dat moet ze bezuren. Ze ziet lijkbleek en moet meteen weer spugen.
Gelukkig voelen we ons de volgende dag beter, al hijgen we de longen uit ons lijf in de steile straatjes van La Paz. Vol verbazing kijken we naar de hooglandindianen: met kilo’s aardappels en een dikke peuter in een kleurige doek op hun rug rennen de hooglandvrouwen met korte pasjes de steile helling op. Ze zijn aan lopen gewend. Veel Aymara en Quechua indianen wonen in de sloppenstad op de hoogvlakte en lopen elke dag vele kilometers om in het centrum van de stad hun koopwaar aan de man te brengen. Lisa en Sara zijn gefascineerd door de hooglandvrouwen met hun wijde rokken, lange zwarte vlechten en bolhoeden. ‘Hoe kan het dat die hoed niet van uw hoofd valt?’ vraagt Lisa aan de indiaanse Paulina Mamani. Die laat zien hoe ze de hoed met haarspelden op haar hoofd vast zet. Daarna mogen Lisa en Sara hem zelf opzetten. Dat staat mooi.

Potjes van de Inca’s

In de Zuid-Andes in de buurt van de mijnstad Potosi gaan we logeren op een echte hacienda, een grote boerderij uit de koloniale tijd. Het is een rood gepleisterd gebouw met verschillende binnenpleinen en patio’s waar reusachtige cactussen groeien. Die zijn twee keer zo hoog als Lisa en er zitten enge stekels aan. Don Edgar beheert de boerderij. Hij heeft een strohoed op, ontvangt ons met wijn en leidt ons rond. In de gastenkamers staan grote houten ledikanten en een ouderwets bad op pootjes. Er is een bibliotheek vol zeldzame oude boeken en op de planken in de serre staan potjes en vaasjes van de Inca’s, die we gewoon mogen pakken en bekijken. Op zolder krijgen we harnassen, zadels en zwaarden uit de koloniale tijd te zien. Lisa en Sara mogen allebei een gepluimde helm opzetten om te voelen hoe zwaar dat is.
’s Avonds zitten we met Don Edgar bij het vuur op rode fluwelen stoelen. Hij doet als een grootvader spelletjes met de kinderen en vertelt verhalen. Het plafond dat versierd is met fresco’s wordt spookachtig verlicht door het vuur. De kokkin brengt borden soep en glazen wijn. We eten met het dienblad op schoot. Heel anders dan tussen de middag toen we de lunch – voor de Bolivianen de hoofdmaaltijd – in de statige eetzaal nuttigden. We zaten op laat 15de eeuwse leren stoelen, die eigenlijk in het museum thuis horen. Maar het gebloemde servies was tot ieders verrassing van plastic.
Het leukste van de hacienda zijn de koeien en de schapen. De kinderen mogen helpen bij het melken en krijgen per dag wel drie of vier keer een roomijsje van verse koeienmelk. De bergen rondom zijn droog en kaal. We klimmen in de felle zon over de rotsen en zien diep beneden ons de hacienda liggen omringd door hoge cipressen. Het licht is scherp en de lucht is hardblauw zoals je dat alleen hoog in de Andes ziet. We kunnen ons niet voorstellen dat we over een week weer lage Hollandse luchten zullen zien. De kinderen hebben geen last van weemoed. Ze willen afdalen om op tijd te zijn voor het koeien melken. Zouden ze weer een ijsje krijgen?

Dagboekfragmenten (de kinderen dicteerden de teksten)

Dagboek van Sara
Cobija 18 augustus
Ik mag al naar school. De school is een beetje wittig en de kinderen zijn zwartig en bruinig. De kinderen hebben een donkerrood rokje aan en sommigen ook een uniformjurkje. Nou hebben ze ook kaasbroodjes en van die rijstkoeken als tussendoortje. (…)
Ik heb een tijgervel gezien en ik durfde te voelen. Het was van een panter uit het oerwoud die dood was gemaakt. En ik zag een lang ding, maar ik zag het niet helemaal, maar volgens mij was het een slang. Een hele giftige.

Dagboek van Lisa
Riberalta 26 augustus
Mama heeft een schorpioen gezien. Hij zat in het hoekje waar de was lag. Schorpioenen houden van nattige, vieze en donkere plekjes. Delia heeft hem dood gemaakt met een stok. Ik heb hem dood gezien toen hij in de prullenbak lag. Zijn staart is het engste, want daar zit gif in. Als hij op je slaat met een heel erge punt van zijn staart, dan komt er gif in je. Dan kunnen kleine kindjes wel dood gaan.

Dagboek van Lisa
La Paz, 24 september
Mama heeft een Indiaanse vriendin en die heet Paulina. Ik mocht de bolhoed op. Ze heeft heeeeele lange vlechten. Ze doet haar vlechten ’s avonds met een touwtje aan elkaar en dan gaat ze slapen. En soms doen ze ook wel eens dat ze gewoon gaan slapen en dan vlechten ze ze ’s ochtends weer opnieuw. En dan kammen ze ook hun haar, denk ik. En Paulina is nog maar twee keer in haar leven naar de kapper geweest.

uit: Emmy van Hees en Kees van Teefelen (red.), Kids ver op reis, reisverhalen van avontuurlijke gezinnen, Informatie Verre Reizen, Nijmegen, 2005